Mag ik een duoarrangement zalmsperma?
Voor Mees en mij. Tegen de wallen, de rimpels en alles wat de afgelopen jaren blijkbaar met onze gezichten hebben gedaan. Wanneer we daar tijd voor gaan maken, weet ik bij god niet. We hebben alweer iets anders in ons hoofd gehaald.

Even vooraf: dit schrijf ik op persoonlijke titel, los van Bonsai. Dit is Yeslin, en dit is hoe ik over dingen denk. Ik spreek hier voor mezelf, niet namens Mees, ons team of het bedrijf.
Ik schrijf dit ook niet omdat ik mezelf speciaal vind, of omdat ik denk dat wat we met Bonsai doen zo bijzonder is. Ik merk vooral hoe makkelijk ik blijf doorgaan zonder ooit even terug te kijken. Daarom probeer ik daar bewust een moment voor te maken. Even opschrijven wat er is gebeurd, wat het me heeft gedaan en wie er voor ons zijn geweest. Dit is mijn manier om daarbij stil te staan.
Ik schrijf dit om bijna 21.00 uur op kantoor. Mees zit in de andere ruimte, Thom naast me. Bonsai is inmiddels een miljoenenbedrijf, we werken met vijftien mensen en bouwen bedrijfskritieke systemen voor organisaties waar miljarden in omgaan. In Nederland en Duitsland, en inmiddels doen Ierland en Hongkong ook mee. We zijn 25.
Maar als ik wil uitleggen wat dit voor mij betekent, moet ik terug naar een rekening van 84 euro. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel.
En naar een gesprek bij Served, op het Stadhuisplein in Rotterdam.
Vijfhonderd euro
Mees en ik zaten tegenover elkaar. We hadden de banen die ons waren aangeboden afgeslagen en moesten besluiten of we per 1 september 2024 een kantoor zouden nemen. In de zes maanden daarvoor hadden we nog geen tienduizend euro omzet gedraaid.
Het kantoor kostte vijfhonderd euro per maand. Achttien vierkante meter in een antikraakpand.
Ondertussen kochten vrienden huizen. Ze hadden een baan, een leaseauto, een vriendin. Er zat beweging in hun leven, een richting die je kon aanwijzen. Bij ons ging elke euro die binnenkwam terug de zaak in. Mijn spaarrekening was op mijn 23e al niet bijzonder indrukwekkend en werd ondertussen alleen maar kleiner.
We bespraken of we onszelf vanuit onze toenmalige vof niet beter allebei 250 euro konden uitkeren. Dan konden we tenminste iets van onze eigen kosten dekken. Dat was op dat moment een serieuze afweging: een plek om te bouwen, of een beetje financiële lucht voor onszelf.
We keken elkaar twee minuten stil aan.
‘Nee man. Dat zou stupid zijn.’
We wilden rammen. Iets veranderen, iets opbouwen op onze manier. En we wisten allebei dat we die vijfhonderd euro wilden uitgeven aan een plek waar we dat konden doen.
Op 2 september 2024 zat ik in mijn zwembroek in ons eigen kantoor. Het was kneiterwarm.
Man, ik kan wel janken als ik daaraan terugdenk.
Achttien vierkante meter. Een antikraakpand. En ik zat daar alsof ik alles had bereikt wat ik ooit had gewild. Die trots kan ik nog precies voelen. We hadden een plek, helemaal van onszelf, waar we elke dag naartoe konden om Bonsai te bouwen.
Die vijfhonderd euro per maand is het best bestede geld ooit geweest. Wat er ook nog gebeurt, niemand pakt ons dat moment meer af.
Zonder onze ouders was dit nooit gelukt
Als ik zeg dat we Bonsai zonder kapitaal hebben opgebouwd, moet ik daar iets bij vertellen. Want zonder onze ouders had het nooit gekund.
Zeker in het begin hebben zij ons bizar veel gegeven. Onderdak. Eten. En vooral de steun om door te gaan. Er waren mensen die ons opvingen terwijl wij alles wat we hadden in iets stopten waarvan nog helemaal niet vaststond dat het zou lukken.
Dat is onbetaalbaar. En het hoort net zo goed bij dit verhaal als de uren die we zelf hebben gemaakt.
Wij konden elke maand al het geld dat binnenkwam terugstoppen in de zaak, omdat onze ouders ons hielpen met de rest. Dat maakt onze inzet niet minder groot, maar hun aandeel wel ontzettend belangrijk. Ik wil nooit zo over ons ondernemerschap praten dat het lijkt alsof Mees en ik dit helemaal alleen hebben gedaan.
Er is geen investeerder geweest die een zak geld neerzette. Er waren wel ouders die ervoor zorgden dat we konden eten, slapen en weer verder konden. Ik weet niet hoe je daar ooit voldoende dankjewel voor zegt.
De wekker ging om 04.45 uur
Het jaar voor dat eerste kantoor zag mijn leven er al behoorlijk strak uit.
Om 04.45 uur ging de wekker. Om 05.00 uur stond ik in de gym, om 05.45 uur was ik klaar en om 06.18 uur zat ik in de bus naar Rotterdam. Van 07.00 tot 15.00 uur werkte ik bij Allianz op de Coolsingel. Rond 16.00 uur was ik weer thuis en ging ik verder aan de zaak.
Ik deed ook mijn tweede master, ondernemingsrecht. Dus als het echt moest, ging ik studeren. Maar elk uur dat ik studeerde, kon ik niet aan Bonsai werken. En dat voelde toen als verliezen.
Bij Allianz werkte ik onder mijn toenmalige jefe, Marck Verhage. Hij was er ook altijd vroeg en bleef lang zitten. Een echte baas. Iedereen die ik sprak respecteerde hem en keek tegen hem op. Ik ook. Ik heb veel van hem geleerd, veel kansen van hem gekregen en altijd gevoeld dat hij achter me stond.
Op de markt bij Blaak zei hij een keer tegen me: ‘Joh Yeslin, fuck die banen. Fuck het geld. Ga het doen, die job regel je toch wel.’
Zo’n uitspraak blijft bij je. Zeker als die komt van iemand tegen wie je opkijkt, terwijl je zelf nog midden in die keuze zit.
Dank, Marck. Ik blijf je dankbaar.
Mees en ik waren ondertussen overal met Bonsai bezig. Tijdens studie, rondom werk, en zelfs in het ziekenhuis toen Mees daar met een gebroken kaak lag. Bellen, bellen. Vragen, vragen. Leren, leren. Het maakte ons weinig uit hoe laat het was of waar we zaten. We wilden begrijpen hoe het werkte, hoe het beter kon en wat we moesten doen om verder te komen.
We hadden het gevoel dat we het liever wilden dan wie dan ook. Dat gevoel is er nog steeds.
Dat we voor elkaar hebben gekozen
Wat ik misschien nog wel het mooiste vind, is dat Mees voor mij heeft gekozen. En ik voor hem.
Toen we tegenover elkaar zaten bij Served, was er nog geen miljoenenbedrijf. Er was geen team van vijftien mensen en er waren geen grote namen om mee te pronken. We hadden vooral een plan, ontzettend veel zin en elkaar. Op basis daarvan besloten we: met jou ga ik dit doen.
Dat vind ik nogal wat. Je verbindt een enorm deel van je leven aan iemand, terwijl je nog niet eens weet wat er op jezelf afkomt. Je maakt samen keuzes die invloed hebben op je geld, je tijd, je toekomst en de mensen om je heen.
Mees weet wat deze jaren hebben gevraagd. Ik hoef hem niet uit te leggen waarom dat eerste kantoor zo veel voor me betekende. Hij zat er zelf. We hebben allebei dingen gelaten, allebei alles gegeven en samen gezien hoe Bonsai langzaam iets werd wat groter is dan wij tweeën.
Ik ben heel blij dat hij dit met mij wilde doen. En dat ik het met hem mag doen. Tussen al het rammen door zeg je dat misschien te weinig, dus bij dezen, Mees: dankjewel dat je voor mij hebt gekozen. Ik ben trots dat we hier samen staan.
Ondernemen gaat overal tussen zitten
Wat ik vooraf niet kon overzien, is hoe veelomvattend ondernemen is.
Je begint met iets wat je wilt maken en een idee van hoe je dat gaat verkopen. Vervolgens ben je ook verantwoordelijk voor het geld, de afspraken, de planning, de kwaliteit en de dingen die niet lopen zoals je had bedacht. Er moet werk binnenkomen, het moet goed worden uitgevoerd en het geld moet daadwerkelijk binnenkomen. Ondertussen moet je alweer nadenken over wat daarna komt.
Zodra er mensen bij komen, wordt die verantwoordelijkheid groter. Zij hebben hun eigen ambities, verwachtingen en grenzen. Een klant rekent op je. Je team rekent op je. En zelf heb je ook nog een hoofd dat op enig moment zou moeten stoppen met werken.
Bij mij stopte dat hoofd nauwelijks.
Ik sloeg sociale dingen over. Feestjes, afspraken, eigenlijk alles wat geld kostte of me afleidde van de zaak. Mees deed hetzelfde. Elke euro en elk uur wilden we kunnen besteden aan Bonsai.
Terwijl de rest verderging, leek het bij ons soms alleen maar af te nemen. Minder spaargeld, minder vrije tijd, minder aanwezig bij de mensen om ons heen. Er gebeurde ontzettend veel, maar veel daarvan kon je nog niet laten zien. Je kon vooral vertellen waar je mee bezig was en waar je dacht dat het naartoe zou gaan.
Ik koos daar zelf voor. Vol overtuiging. Tegelijkertijd voel je de gevolgen van zo’n keuze ook als je er volledig achter staat. Je kunt een avond maar één keer besteden. Als je op kantoor zit, ben je ergens anders afwezig. En de mensen daar hoeven dat niet eindeloos te begrijpen.
Dat vind ik misschien wel het lastigste om uit te leggen: hoeveel plezier, trots en betekenis iets je kan geven, terwijl het ook zo veel van je vraagt.
En dan staat er ineens een bedrijf
Inmiddels werken we met vijftien mensen. We hebben enorme klanten en Bonsai is echt een miljoenenbedrijf geworden. Zonder bluf.
Mensen vragen weleens of ik dit had verwacht.
Nee, natuurlijk niet. Ik wilde al ondernemen sinds ik dertien was. Ik had beelden bij wat ik wilde bouwen en hoe groot dat zou kunnen worden. Maar verwachten dat je op je 25e hier staat, is nog iets anders.
Ik hoopte het wel. En ik heb een hekel aan het woord ‘hopen’, omdat het voor mij zo snel machteloos klinkt. Alsof je zit te wachten tot iets jouw kant op komt. Toch is dat het eerlijke antwoord. Ik hoopte dat dit erin zat. En ik hoop nog steeds op meer, terwijl we er elke dag aan werken.
Dat organisaties ons binnen twee jaar fulltime ondernemen het vertrouwen geven om bedrijfskritieke systemen te bouwen, vind ik vooral een fucking eer.
Van dichtbij raak je eraan gewend. Je bent bezig met het werk, met wat beter moet, met de volgende stap. Dan vertelt iemand je hoe bijzonder het eigenlijk is en moet je zelf even uitzoomen.
Die verantwoordelijkheid krijgen is bijzonder. Er zitten mensen aan de andere kant die ons een kans hebben gegeven. Die hebben besloten dat ze dit met ons aandurfden. Dat besef wil ik houden, ook als de bedragen groter worden en het werk steeds normaler gaat voelen.
Vanaf onze eerste klant en onze eerste euro tot mijn eerste salaris en dat eerste kantoor: ik voel me dankbaar.
Het is een eer dat mensen ons een kans hebben gegeven. Dat we dit werk mogen doen. Dat er vijftien mensen zijn die mij elke dag vooruit trekken, dingen leren en beter maken. Dat ik elke dag mag werken aan dingen die bedrijven en mensen verder helpen.
Er gaat voor mij op dit moment niets boven.
Hoe ver kun je blijven gaan?
Mees en ik willen elke dag grenzen verleggen. In de resultaten voor klanten, in de omzet, in wat we kunnen bouwen en in wat we van onszelf en onze mensen vragen. Onze manier is altijd honderd miljoen procent keihard rammen geweest. We zijn daarin ook over grenzen gegaan, tot het ongezonde toe.
Dat heeft ons veel gebracht. Het heeft ook iets gekost.
De rimpels komen. De haren vallen uit. De wallen worden groter. Relaties lukken vaker niet meer. Dingen waar je eerst vanzelfsprekend tijd en aandacht voor had, raken steeds verder naar de achtergrond.
Ik kan daar een grap over maken en een duoarrangement zalmsperma voorstellen, maar ik zie natuurlijk ook wat ik opschrijf.
Niet iedereen waardeert onze manier van werken. Bij meningen van buiten denk ik vaak: het boeit me geen reet. Ik hoef niet van iedereen bevestiging dat dit een goed leven is. Maar bij de mensen met wie we werken en de mensen om ons heen heeft onze manier van leven wel gevolgen. Daar kan ik niet hetzelfde antwoord op geven.
Vooral omdat de grens steeds verschuift. Als iets lukt, wil ik verder. Als een doel is gehaald, zie ik alweer wat er nog meer mogelijk is. Dan wordt het moeilijk om te herkennen wanneer ik mezelf aan het uitdagen ben en wanneer ik mezelf aan het uitputten ben.
Ik heb daar geen keurig antwoord op. Het zou ook ongeloofwaardig zijn als ik hier zou doen alsof ik inmiddels precies weet hoe je ambitie, gezondheid, vriendschappen en relaties allemaal netjes in balans houdt.
Ik zit dit tenslotte om bijna negen uur ’s avonds op kantoor te schrijven.
Maar ik wil wel eerlijk zijn over die vraag. Hoe zorg je ervoor dat je niet onderuitgaat aan iets wat je zo graag doet? Hoe blijf je trots op wat er al staat, als je hoofd voortdurend bezig is met wat er nog moet gebeuren?
Soms helpt het om terug te denken aan die vijfhonderd euro. Aan Mees tegenover me bij Served. Aan mijn zwembroek in dat bloedhete kantoor. Hoe weinig er toen nodig was om me zo ongelooflijk trots te voelen.
Dat gevoel wil ik onderweg niet kwijtraken.
Mees zit in de andere ruimte
Voor waarschijnlijk 95 procent van de mensen klinkt dit allemaal als een vrij beroerde deal. Zo veel werken, zo veel laten en ondertussen langzaam je haar verliezen.
Misschien kijk ik er over een paar jaar anders naar. Dat kan. Ik weet alleen hoe het nu voelt, en ik voel het in elke cel van mijn lijf: dit is het.
Bonsai is op dit moment het mooiste, vetste en meest dierbare wat ik heb. Ik ben trots op wat er staat, op de mensen die eraan bouwen en op Mees, met wie ik die keuze voor vijfhonderd euro per maand maakte toen we onszelf nog nauwelijks iets konden uitkeren.
En ik ben dankbaar voor iedereen die ervoor heeft gezorgd dat we die keuze überhaupt konden maken.
Ondertussen zit Mees dus in de andere ruimte en Thom naast me. We hebben weer iets in ons hoofd gehaald. Daar willen we mee verder. Zo gaat het eigenlijk al jaren.
Want hoe trots ik ook ben op wat er staat: we zijn pas net begonnen. Er is nog zo veel te bouwen, te leren en te veranderen. Mees en ik hebben nog lang niet alles uit onszelf en uit Bonsai gehaald. Het is alleen maar tijd om meer te rammen.
Wanneer dat duoarrangement zalmsperma besteld gaat worden? Ik weet het bij god niet. Of het er ooit van komt, ook niet.
‘Doodgaan in het harnas’ klinkt me soms nog steeds aantrekkelijker in de oren dan op tijd naar huis gaan. Dat zegt waarschijnlijk genoeg over hoeveel ik hiervan hou. En over waarom ik een beetje op mezelf moet passen.
Ik wil hier namelijk nog heel lang zijn.
We zijn pas net begonnen. Het is alleen maar tijd om meer te rammen.← Terug naar alle blogs